De eeuwenlange twisten rond het begin van Pasen
Binnenkort is het Eerste Paasdag - maar waarom juist op 20 april? Omdat Pasen valt op de eerste zondag na de eerste volle maan na het begin van de lente. Een dergelijk antwoord verlegt het probleem natuurlijk: waarom is Pasen zo ingewikkeld geregeld? Hoe kan een gewoon mens nu weten wanneer de eerste volle maan na het begin van de lente valt? In dit artikel eindelijk alles wat u altijd al over Pasen had willen weten maar nooit dorst te vragen.
Quartodecimanen, montanisten en proto-paschieten
Met het paasfeest vieren christenen de opstanding van Jezus na Zijn kruisiging. Het feest heeft echter wortels die dieper liggen. Immers, volgens de evangelisten vierden Jezus en Zijn discipelen ook al het paasfeest: "Gij weet dat het over twee dagen paasfeest is, en alsdan wordt de Zoon des mensen overgeleverd om 'gekruisigd te worden," zo laat Mattheüs (26:1) Jezus zeggen. Samen met Zijn discipelen eet Hij volgens joodse traditie het paaslam en het ongezuurde brood. De joden uiten daarmee hun dankbaarheid jegens God - voor de bevrijding uit Egypte, de tocht door de woestijn en de aankomst in het beloofde land.
Het christelijke paasfeest heeft dezelfde betekenis, maar de viering is langzamerhand geconcentreerd rond de persoon van Jezus, die moet worden gezien, aldus Paulus in zijn eerste brief aan de Korinthiers, als het nieuwe paaslam (5:7). Het joodse paasfeest begint op de eerste volle maan van de lente. Men moet dus weten wanneer het volle maan is, en wanneer het lente is. De fasen van de maan zijn betrekkelijk eenvoudig te zien en vooruit te berekenen, maar om te weten wanneer een nieuw seizoen begint, moet de tel worden bijgehouden: een kalender is noodzakelijk. De joden namen hun kalender over van de Babyloniers, een kalender die zich baseert op de maan in plaats van, zoals de onze, op de zon. Door steeds zeven jaren van dertien maanden en dan negen van twaalf te nemen, blijven de maan en de seizoenen in de pas en het paasfeest begint altijd op de avond van de veertiende van de maand nisan.
Quartodecimanen
Dat gebruik namen de eerste christenen over. Maar het christelijk paasfeest moet niet alleen rekening houden met maan en lente, maar ook met de zondag. De evangelisten berichten immers dat de kruisiging van de Heer plaatsgreep op de dag van de bereiding van het paaslam -dat is een vrijdag - en dat de opstanding "op de eerste dag der week" (Joh. 20:1) was, dus op een zondag. Vandaar dat zondag de gewijde dag is in het christelijk geloof.
De eerste christenen kregen echter al snel ruzie - en die liep hoog op. De verschillende christen-gemeenten die waren ontstaan rond de Middellandse Zee hadden elk hun eigen opvatting over de juiste paasdatum. In Klein-Azie en Syrie vierden de christenen het paasfeest gelijk met de joden, dus op 14 nisan. Deze mensen heetten dan ook de quarto-decimanen, de "veertiende-dagers", en zij werden al snel als ketters beschouwd. Ook was er een kleine groep die Pasen op de eerste zondag na 5 april vierde, de montanisten. Dan was er nog de wijdverbreide opvatting dat Pasen moest vallen op de zondag na het joodse paasfeest; omdat het feest daardoor ook nog voor het begin van de lente bleek te kunnen vallen, werden de aanhangers van deze stroming de proto-paschieten genoemd.
De Paaskalender
En ten slotte was er een machtige groep die meende dat het paasfeest moest worden gevierd op de zondag na volle maan en na het lentebegin. Aan een vaste paasdatum dacht niemand. De twisten liepen zo hoog op dat de hoogste instanties zich ermee moesten gaan bemoeien. In 325 liet de machtige Romeinse keizer Constantijn de Grote bijna driehonderd bisschoppen bijeenkomen in Nicaea (het tegenwoordige Iznik, in Noord-Turkije) om over een andere kwestie te beslissen, namelijk over de verhouding tussen God en Zoon. Moest de nadruk vallen op het goddelijk-zijn of op het geschapen-zijn van Jezus? In het keizerrijk was over deze vraag grote opschudding ontstaan, en dat kwam Constantijn slecht uit. Vandaar dat hij het Conicilie tot een uitspraak dwong (het werd goddelijk-zijn, zoals blijkt uit het Credo). Daarna beslisten de bisschoppen ook nog over de paasdatum, en het werd de zondag na de lente-vollemaan.
Volle Maan
De eerste grote ruzie binnen de christelijke kerk was bijgelegd, maar de problemen waren daarmee niet opgelost. De volgende vraag was natuurlijk, hoe het begin van de lente moest worden vastgesteld en wanneer het precies volle maan was. Maar een volle maan pal voor middernacht kon een week verschil in paasdatum maken, en een volle maan nog net voor het begin van de lente in plaats van erna kon zelfs een maand schelen. En in Rome is het eerder volle maan dan in Constantinopel. Hoewel de paus toen al in Rome zat, ging hij meestal mee met de beslissingen die men in Constantinopel nam. Duidelijk was dat waarnemingen onvoldoende eenstemmigheid konden brengen. Men ging over op cijferwerk, en Dionysius Exiguus, de archivaris van paus Hormisdas, kreeg in het jaar 526 opdracht een paaskalender te maken. Hij deed zijn werk zo goed dat zijn tijdrekening meer dan duizend jaren standhield.
pe kalender van Julius Caesar, zo stelde Dionysius, vormt de basis van het kerkelijk jaar -het jaar heeft twaalf maanden van wisselende lengte en eens in de vier jaar is er een schrikkeljaar. Het begin van de lente valt op 21 maart. De maan wordt geacht in perioden van negentien jaren te lopen: steeds na negentien jaar valt nieuwe maan op dezelfde dagen.
De volle maan die voor Pasen van belang is, kan nu op of na het begin van de lente vallen, maar paaszondag moet beslist rui die volle maan zijn. Met andere woorden, als de volle maan op een zondag valt, is het de week daarna pas Pasen. De vroegste paasdatum wordt zo 22 maart, de laatste 25 april. Het genie van Dionysius was, dat hij een rekenmethode vond die in de Juliaanse kalender vrijwel dezelfde uitkomsten gaf als de Alexandrijnse kalender en de joodse maankalender. Het enige dispuut dat nog kon ontstaan was over de laatst mogelijke paasdatum: die was volgens de Alexandrijnse methode 24 apriI. Dionysius' methode vond overal betrekkelijk snel ingang, hier in het westen vooral door de werken van de Engelse monnik Beda de Eerbiedwaardige (672-735).
Maansverduistering
De aanpassingen van de Gregorius maakten de berekening van de paasdatum echter nog moeilijker dan zij al was. Door de uitvallende schrikkeljaren is er geen simpelverband meer tussen gulden getal en epacta, en door de acht extra maan-dagen per twee en een halve eeuw zijn verdere aanpassingen nodig. Bovendien moest Christophorus Clavius, die van Gregorius de opdracht tot de kalenderhervorming had gekregen, rekening houden met : de geschiedenis. De nieuwe berekening van de paasdatum , mocht niet te veel afwijken van de oude, want dan zou hij de reputatie van de vroegere wijsgeren in twijfel trekken. Hij hield dus vast aan de negentien- jaarscyclus voor de maan (dus aan de berekening van het gulden getal) en aan de grenzen van de vroegste en laatste paas. Daaraan paste hij de rest van het systeem aan.
Vasten en feesten
De Juliaanse kalender telt voor een jaar 365,25 dagen, terwijl hij in werkelijkheid 365,2422 dagen is – dat is dus de tijd tussen twee lentebeginnen. Het verschil lijkt klein, maar in de loop van honderden jaren begon de kalender flink uit de pas te lopen. In het jaar 1581 bij voorbeeld kwam de zon al op 11 maart exact in het oosten op en was de lente begonnen. Nog duidelijker was dat de maan was gaan "verlopen": de echte volle maan liep vier dagen voor op de berekeningen. Vlammende geschriften zijn door kerkvaders geschreven over deze kwestie; men kon immers aan de volle maan duidelijk zien dat men vastte terwijl men moest feesten. Paus Gregorius pakte het probleem radicaal aan. Hij sloeg gewoon tien dagen over en op donderdag 4 oktober volgde vrijdag 15 oktober. Hij koos deze data omdat ze in het kerkelijk jaar het minst belangrijk waren - enkele heiligen kregen immers hun dag door de neus geboord.
De dagen van de volle maan gingen zeven dagen vooruit in het nieuwe systeem, dat is dus drie dagen volgens het oude. Er wordt gezegd dat de paus opzettelijk een dag verschil hield om nog beter te voorkomen dat het christe1ijke en het joodse paasfeest op dezelfde dag konden vallen - aan godsdienstrellen had hij geen behoefte - maar tegenwoordig twijfelt men aan die lezing. Een eenvoudige ingreep zorgde dat het kalenderjaar bijna zo lang was als het echte jaar. Drie op de vierhonderd jaren zou geen schrikkeljaar zijn ook al is het jaartal deelbaar door vier (alleen de eeuwjaren deelbaar door 400 schrikkelen) en acht keer per 2500 jaar moest de datum van volle maan een dag opschuiven.
5.700.000 jaar
De paasdatum rekent met zo veel getallen, dat het 5,7 miljoen jaar duurt voordat de cyclus zich herhaalt. Pas in het jaar 5701582beginnen we weer waar Gregorius in 1582 begon. De vroegste datum voor Pasen is nog steeds 22 maart. Dan moet er een epacta zijn van 23, zodat de volle maan valt op 21 maart, en een zondagsletter D. Dit gebeurt pas weer in 2285. De eerstvolgende late paas is 25 april 2038, de vorige was in 1943. De nieuwe tijdrekening vond na 1582 niet onmiddellijk overal ingang. In katholieke landen ging het vlot, maar elders belette het anti-papisme de snelle invoering van Clavius' meesterwerk. In Zeeland en Holland werd de Gregoriaanse kalender meteen overgenomen, maar in Drente duurde het tot 1701. Groot-Brittannie sloeg pas in september 1752 elf dagen over (elf omdat 1700 in de ene kalender wel en in de andere niet een schrikkeljaar was), en de legende wi! dat rumoerig volk de straat opging met leuzen als "Geef ons onze dagen terug". De laatste Europese landen die meededen aan de Gregoriaanse kalender waren Rusland in 1917, Griekenland in 1924 en Turkije in 1927. En Griekenland heeft eigenlijk nog steeds geen echte Gregoriaanse kalender: in plaats van een op vier schrikkeljaren hebben zij twee op negen. Vanaf 2800 gaan de Grieken met de Gregorianen uit de pas lopen.
(Dit briljante artikel werd geschreven door Hans van Maanen en gepubliceerd in het Haarlems Dagblad van 2 april 1988)
De kerkelijke kalender: een andere visie op de berekening van Pasen
De data van de feestdagen die samenhangen met Pasen (zoals Carnaval, Aswoensdag, Hemelvaart en Pinksteren) worden berekend volgens de kerkelijke (christelijke) kalender. Het is dus belangrijk om te weten wanneer het Pasen is en hoe die datum berekend wordt.
Pasen kan alleen vallen tussen 22 maart en 25 april.
Grof gezegd valt Pasen op de eerste zondag na de volle maan na het begin van de lente, maar geheel nauwkeurig is die definitie niet. De christelijke kerk gebruikt (van oudsher) een iets ingewikkeldere methode voor het vaststellen van de datum van Pasen. Onderstaand de exacte berekening van de Paasdatum voor 2025 volgens de kerkelijke kalender.
Berekenen van de Paasdatum
I.
Bereken het gulden getal van het jaar, dit is de rest die we overhouden als we het nummer van het jaar door 19 delen (het aantal jaren in een maanjaar-cyclus). Bij deze rest wordt 1 opgeteld. Het gulden getal van 1900 is dus 1, het gulden getal van 1983 is 8 en het gulden getal van 2025 is 12.
Gulden getal 2025:
(2025 - (19 * 106)) + 1 = 12
19 * 106 = 2014
(2025 - 2014) + 1 = 12
II.
Bereken de correctie die aangebracht moet worden vanwege schrikkeljaren.
Eerst tellen we het aantal voorafgaande eeuwen (inclusief de eeuw zelf) waarin een schrikkeldag werd weggelaten. Voor 1900 tot 2099 is dat 15.
Daarna tellen we de weggelaten dagen in schrikkeljaren van het maanjaar. Dit soort schrikkeljaren komen in een periode van 2500 jaar 8 maal voor, namelijk het eerste jaar, het 301-ste jaar, enzovoorts tot en met het 2101-ste jaar. Het eerste zodanige jaar was 1800 en dit was tevens het begin van een cyclus, de volgende keer dat zo een jaar voorkomt is dus 2100. Voor 1800 tot 2099 is dat dus 1 daarna tot 2399 is dat 2, enzovoorts.
Trek het aantal zo gevonden maanschrikkeldagen af van het aantal zonschrikkeldagen.
III.
Nu gaan we de epacta berekenen, dat is de ouderdom van de maan op 1 januari van het jaar. Hiertoe vermenigvuldigen we eerst het gulden getal met 11 (een maanjaar is 11 dagen korter dan een zonnejaar, vandaar). Hiervan trekken we het getal van de schrikkeldagen zoals gevonden onder punt 2 af (correctie voor schrikkeldagen). Hierbij tellen we dan 2 op (om in de pas te komen). Van dit resultaat nemen we de rest na deling door 30.
De berekening voor 2025 gaat als volgt:
- gulden getal = (2025 - (19 * 106)) + 1 = 12
- aantal zonneschrikkeldagen = 15 (altijd gelijk tot 2099)
- aantal maanschrikkeldagen = 1 (altijd gelijk tot 2099)
- schrikkeldagen = zonneschrikkeldagen - maanschrikkeldgen = 15 - 1 = 14
- gulden getal * 11 = 12 * 11 = 132
- 132 - 14 = 118
- 118 + 2 = 120
- epacta voor 2025 = 120 - (30*4) = 0
IV.
Nu moeten we nog de volle manen van een jaar berekenen. De maanmaanden hebben in principe afwisselend 30 en 29 dagen, waarbij de maanmaand waarin 1 januari valt 30 dagen heeft, en de daaropvolgende maanmaand 29 dagen. Verder komt een volle maan 13 dagen na nieuwe maan. Uitgaande van dit gegeven vinden we een volle maan op (31-epacta+13) maart in een niet schrikkeljaar, en 1 dag eerder in een schrikkeljaar. Valt deze datum na 31 maart, dan gaan we uiteraard over op de maand april.
Voor 2025: (31-epacta+13) = (31-0+13) maart = 44 maart = zondag 13 april.
2025 is geen schrikkeljaar, dus volle maan op zondag 13 april.
Pasen valt nu op de daaropvolgende zondag. In 2025 is dat op zondag 20 april.
Het kan gebeuren dat de zo gevonden datum van de volle maan voor 21 maart valt, in dat geval moeten we de daarop volgende volle maan nemen. Hiertoe dienen we de lengte van de maanmaand te kennen, de volgende regels zijn hierop van toepassing:
a. De kritische epacta is 26 in jaren met een gulden getal groter dan 11, in andere jaren is deze kitische epacta 25.
b. Is de berekende epacta kleiner dan de kritische epacta, dan is de lengte van de maand 29 dagen, anders is dat 30 dagen.
Zo berekenen we dus de volgende volle maan, en de Paasdatum. Het is duidelijk dat dit geen eenvoudige methode is, en velen hebben zich dan ook al bezig gehouden met eenvoudiger berekeningen. Deze andere berekeningen zijn echter nooit werkelijk eenvoudiger, we zullen het dus met deze methode moeten doen.
Data Pasen komende jaren
20 en 21 april 2025
5 en 6 april 2026
28 en 29 maart 2027
Geschiedenis van de berekening van de Paasdatum
Het Paasfeest is van Joodse oorsprong. Dit feest werd gevierd op dag van de volle maan van de voorjaarsmaand Nisan. De eerste tijd behield het christelijk Pasen het verband met het Joodse Pasen, maar later veranderde dat.
Omstreeks de tweede eeuw kwam hier in zoverre verandering in dat de christenen Pasen niet meer vierden op dezelfde dag als het Joodse Pasen, maar op de eerste zondag daarna. Viel het Joodse Pasen echter op een zondag, dan werd het christelijke Pasen een week verschoven.
Toen echter later de Joden hun kalender niet meer op waarneming baseerden, maar op berekening, kwam er onder de christenen een splitsing: aan de ene kant zij die het Joodse Pasen volgden (de Protopaschaten), en aan de andere kant zij die Pasen nog steeds door waarneming bepaalden. Het is hierbij van belang dat Pasen niet gevierd dient te worden voor het begin van de lente, echter in de eerste tijd dat de Joodse kalender berekend werd kon het best gebeuren dat 14 Nisan voor dit begin viel en daarmee ook het Pasen van de Protopaschaten (vandaar de naam).
Onder de Protopaschaten was er nog een deelgroep, de Quartodecimanen, die Pasen bleef vieren op 14 Nisan. Deze splitsing onder christenen heeft enige tijd geduurd, en in het jaar 387 vierden de Protopaschaten Pasen al op 21 maart en de anderen pas op 25 april. Dit gaf ernstige bezwaren, de maand voor Pasen is namelijk een vastenmaand, en terwijl de ene groep op 21 maart al klaar was met de vasten moest de andere groep nog beginnen. De diverse pausen zagen in de Protopaschaten een ernstig gevaar voor de eenheid van de kerk, en alle concilies uit die tijd (314 in Arles en 325 in Nicea) namen dan ook besluiten die tegen hen gericht waren: "De broeders uit het morgenland, die zich tot nu toe naar de joden richten, dienen van nu af aan het Paasfeest te vieren met de roomsen, met ons en iedereen, die met ons van oudsher overeenstemt." Of nog sterker: het is "verderfelijk en ongepast als op dezelfde dagen dat de een vast, anderen feestmalen houden."
Een voor de latere ontwikkeling belangrijk besluit was dat Pasen niet gelijktijdig met het Joodse Paasfeest gevierd mocht worden.
Naast de twee hierboven genoemde groepen was er ook nog een (kleine) groep christenen die Pasen altijd op 25 maart vierde (volgens hen de sterfdag van Christus). Ook was er een sekte die Pasen vierde op 6 april, of de eerstdaaropvolgende zondag. Het is duidelijk dat, althans volgens het concilie, deze gebruiken heidens waren.
In het begin van de derde eeuw begon men te proberen Pasen door berekening te bepalen. Hiertoe trachtte men een maankalender op te stellen. Pasen diende dan te vallen op de eerste zondag na de eerste volle maan na het begin van de lente. De oudste gebruikte vorm was een oktaeder vorm, waarbij 8 zonnejaren gelijk gesteld worden aan 99 maanden. Deze vorm is alleen in de derde eeuw in gebruik geweest, iedere 8 jaar werd al een fout van anderhalve dag gemaakt. Een andere cyclus was er een van 84 zonnejaren die overeenstemmen met (ongeveer) 1039 maanden. Deze cyclus is langer gebruikt. Een voordeel was namelijk dat 84 jaren precies 3 maal 28 jaar bevat, en na een periode van 28 jaar komen in de Juliaanse kalender alle data weer terug op precies dezelfde dag van de week. Een derde cyclus (die ook nu nog gebruikt wordt) is de cyclus van Meton.
Bij de berekening van de Paasdatum is naast de volle maan ook nog het begin van de lente van belang, hiervoor werd en wordt een vaste dag in het jaar genomen, de Roomse Kerk gebruikte daarvoor in het begin 24 maart, later werd dat 21 maart. De Alexandrijnse Kerk gebruikte altijd al 21 maart. De laatste dag waarop Pasen gevierd kon worden was vroeger bij de Roomse Kerk 21 april, volgens de tabellen van Victorius 24 april, bij de Alexandrijnse Kerk was dat 25 april.
Van de Alexandrijnse Paastabellen zijn de volgende bekend:
Om de Roomse Kerk niet te veel voor het hoofd te stoten zijn de Alexandrijnen meerdere malen van de door hen gebruikte tabellen bij het vieren van Pasen afgeweken. In de jaren 328 tot 373 kwam dat driemaal voor. In 333 werd Pasen op 15 april in plaats van 22 april gevierd. In 346 diende Pasen op 23 maart gevierd worden, maar dit werd verschoven naar 30 maart, zoals besloten op het concilie in 342 te Sardica.
Tenslotte werd in 349 Pasen verschoven van 23 april naar 26 maart. De Roomse Kerk heeft veel meer tijd nodig gehad om een goede Paastabel te maken.
De belangrijkste van de gebruikte tabellen zijn de volgende:
Uiteindelijk vond de cyclus van Dionysius de meeste verbreiding met het in 725 door Beda geschreven werk "De temporum ratione", dat een paastabel bevatte voor de jaren 532 tot 1063.
De tabellen zoals hiervoor genoemd waren in Italië in gebruik. Bij de christenen in andere delen van West-Europa waren deels ook weer andere tabellen in gebruik, soms ook roomse tabellen die sterk verouderd waren. Bij een datering van geschriften uit die tijd, waarbij Pasen wordt vermeld staat de werkelijke datum dan ook volstrekt niet vast. Uiteindelijk werd de berekeningswijze van Dionysius Exiguus toch in heel West-Europa gebruikt. Deze berekening was echter (zoals alle berekeningen) niet volledig correct. Zo was in het jaar 1063 (het laatste jaar in de tabel van Beda) volgens Beda het begin van de lente op 21 maart en de eerste daaropvolgende volle maan 3 april. In werkelijkheid begon de lente al op 15 maart, en viel de volle maan op 1 april. Het is duidelijk dat voor een juiste plaatsing van het Paasfeest deze verschillen te groot waren.
Paus Clemens VI gaf dan ook in 1354 aan de Parijse wiskundigen Johann von Muris en Firminus de Bellavalle opdracht een tractaat over een verbetering van de kalender samen te stellen. Hij heeft de voltooiing niet mogen beleven, maar het schijnt een nogal onbeholpen werkstuk te zijn. Ook bij de Alexandrijnen maakte men zich zorgen over de verschillen tussen berekening en werkelijkheid.
Uiteindelijk duurde het tot 1575 voordat kardinaal Cervino aan Luigi Lilio, lector medicijnen aan de universiteit van Perugia, opdracht gaf om een nieuw ontwerp voor de kalender te maken. Na diens dood heeft zijn broer Antonio het ontwerp voltooid en aan paus Gregorius XIII overhandigd. Dit ontwerp werd naderhand door een commissie aanvaardbaar gevonden.
Het ontwerp had ten doel het begin van de lente weer zoveel mogelijk op 21 maart te laten vallen. Hiertoe moesten een aantal dagen uitvallen. Dat aantal zou 9 moeten zijn; echter omdat bij het ontstaan van de Juliaanse kalender het begin van de lente meestal op 20 maart viel, liet men een dag meer uitvallen, en op 4 oktober 1582 volgde dan ook 15 oktober 1582. Verder werd de manier van invoegen van schrikkeldagen veranderd.
Het tweede, en in dit verband belangrijkste, doel was de verbetering van de kerkelijke berekening van de maan, zodat in de toekomst de volle maan van Pasen niet te veel van de werkelijke volle maan af zou wijken.